Tel munten en briefjes, betaal in de winkel en reken je wisselgeld uit.
Elke munt is iets anders waard. Tel ze allemaal op.
Munten zijn verschillend waard, dus tel de waarde, niet de munten.
Betaal met de grootste munt die past, en doe er dan kleinere bij.
Wisselgeld: tel op van de prijs naar wat je betaalde.
Begin met het herkennen van elke munt en elk briefje en wat het waard is. Sorteer dan de munten, grootste eerst, en tel verder: bij 50, 20 en 5 zeg je 50, 70, 75.
Tel op van de prijs naar het betaalde bedrag, zoals winkeliers doen. Voor iets van 3,70 dat je met een briefje van 5 betaalt, tel je van 3,70 naar 3,80, naar 4,00, naar 5,00. De stappen zijn 0,10, 0,20 en 1,00, dus het wisselgeld is 1,30.
Bij aftrekken zoals 5,00 − 3,70 moet je een hele eenheid inwisselen voor kleinere, en dat vergeet je makkelijk. Optellen slaat die stap over en laat de munten zien die je echt terugkrijgt.
Kinderen herkennen munten en tellen kleine bedragen rond 5 à 7 jaar, tellen bedragen op en geven wisselgeld van hele bedragen rond 7 à 8 jaar, en rekenen met prijzen met euro's en centen rond 8 à 9 jaar.