Echte vragen uit de keuken: recepten omrekenen, hoeveel je van elk ingrediënt nodig hebt en kooktijden. Lees het verhaal, reken het uit en typ het antwoord.
Voor één taart heb je 2 eieren nodig. Bram bakt 3 taarten. Hoeveel eieren heeft Bram nodig?
Twee keer zoveel mensen: verdubbel elke hoeveelheid.
De helft van de mensen: halveer elke hoeveelheid.
Een ander aantal: zoek de hoeveelheid voor 1 persoon en vermenigvuldig.
1000 g = 1 kg
Kooktijden: tel elk deel erbij op, of reken terug vanaf wanneer het klaar moet zijn.
Tijd op gewicht: tel hoe vaak 500 g (of 1 kg) erin past, vermenigvuldig en tel de extra tijd erbij op.
Een verhouding van 1 : 4 betekent 1 deel voor elke 4 delen, dus 5 delen in totaal.
Voor twee keer zoveel mensen verdubbel je elke hoeveelheid, voor de helft halveer je. Voor een ander aantal zoek je eerst de hoeveelheid voor 1 persoon en vermenigvuldig je dan. Een recept voor 4 met 200 g meel is 50 g per persoon, dus 6 mensen hebben 6 × 50 g = 300 g nodig.
Tel hoe vaak het gewicht erin past, vermenigvuldig met de tijd per keer en tel er de extra tijd bij op. Een kip van 2 kg met 20 minuten per 500 g plus 20 minuten is 4 × 20 + 20 = 100 minuten, dus 1 uur en 40 minuten.
Reken terug vanaf het moment dat het eten klaar moet zijn. Haal de kooktijd eraf en spring eerst terug naar het hele uur. Voor het avondeten om 18:00 met 1 uur en 15 minuten in de oven gaat het eten om 16:45 de oven in.
Een verhouding van 1 : 4 betekent 1 deel van het ene voor elke 4 delen van het andere, dus 5 delen in totaal. Voor 500 ml ranja gemengd in 1 : 4 is één deel 500 : 5 = 100 ml: 100 ml siroop en 400 ml water.