Slimme manieren om uit je hoofd op te tellen en af te trekken, getekend als sprongen op een getallenlijn.
41 = 40 + 1
Spring vanaf 66 +40. Waar kom je uit?
Splitsen
47 + 25: spring 20, dan 5.
Afronden en compenseren
46 + 29: spring 30, dan 1 terug.
Bijna dubbel
16 + 17: dubbel 16, dan 1 erbij.
Manieren om een som uit je hoofd uit te rekenen door hem in makkelijkere stappen te verdelen. In plaats van cijferen onder elkaar splits je getallen, rond je ze af of gebruik je sommen die je al kent, zoals dubbelen.
Ligt een getal dicht bij een tiental, gebruik dan het tiental en verbeter het daarna. 46 + 29 is 46 + 30 = 76, en dan 1 eraf omdat 29 één minder is dan 30: 75. Bij aftrekken is het andersom: 63 − 19 is 63 − 20 = 43, en dan 1 erbij: 44.
Een getallenlijn laat elke stap zien als een sprong, zodat kinderen zien hoe ver ze zijn gegaan en waar ze zijn uitgekomen. De sprongen opschrijven helpt ook om het overzicht te houden, zonder de hele som in één keer uit het hoofd te doen.
Kinderen beginnen rond 6 à 7 jaar met bijna-dubbelen en tientallen erbij tellen, splitsen getallen van twee cijfers rond 7 à 8 jaar en gebruiken afronden en compenseren rond 8 à 9 jaar.