Vind de sprong tussen de getallen en ga dan verder. Kijk hoe tegelpatronen groeien en bereken wat er als 10e komt, zonder ze allemaal te tekenen.
Vind de sprong tussen de getallen en maak hem nog één keer.
Vind de sprong: het verschil tussen twee getallen naast elkaar.
Elke keer dezelfde sprong? Tel hem steeds erbij.
Plaatje 10 is plaatje 1 plus 9 sprongen.
De regel begint met sprong × n, en dan tel je erbij of haal je eraf tot het past.
Kwadraten
1, 4, 9, 16, 25 …
Verdubbelen
1, 2, 4, 8, 16 …
Driehoeksgetallen
1, 3, 6, 10, 15 …
Bereken de sprong tussen elk paar getallen naast elkaar. Is die elke keer hetzelfde, tel hem dan nog een keer op. Veranderen de sprongen, kijk dan hoe ze veranderen: bij kwadraten worden ze elke keer 2 groter.
Begin bij het eerste getal en tel de sprong 9 keer op, niet 10: van het 1e naar het 10e getal zijn maar 9 sprongen. Bij 3, 5, 7 is het 10e getal 3 + 9 × 2 = 21.
n is de plek in de rij. Vul n = 1, 2, 3 in en je krijgt 4, 7, 10. Het getal voor de n is de sprong, dus vergelijk de rij met die tafel en kijk hoe ver hij ervan af ligt.
Kinderen zetten eenvoudige telpatronen voort rond 5 tot 7 jaar, vinden de sprong en ontbrekende getallen rond 7 tot 9 jaar, en berekenen het 10e getal en regels als 3n + 1 rond 10 tot 12 jaar.